Last updated on

De rol van tijd in het productieproces


Onderstaand artikel is mijn vertaling van “Keynesian Errors on Time and Demand” vanBen Kaufman.

Ben legt op een logische manier uit waarom de Keynesiaanse theorie rond sparen en consumptie fout is. De Keynesiaanse stroming is vandaag al decennia de dominante theorie binnen de economische wetenschappen. Aan de andere kant van het spectrum is er de Oostenrijkse School. Deze wordt vandaag bijna volledig genegeerd door universiteiten en beleidsmakers. Volgens mij is dit nochtans onterecht.

Dit artikel is een oefening in Praxeologie. Praxeologie vindt zijn oorsprong bij de oude Griekse filosofen zoals Plato en Arisoteles. Vervolgens werd het opnieuw geïntroduceerd in de economische wetenschappen door Ludwig von Mises. Praxeologie is de studie van ‘Menselijke Actie’. Ze vertrekt vanuit het onweerlegbare axioma dat individuele mensen acties stellen. Actie is doelbewust gedrag van een individu teneinde een bepaald doel te bereiken (in tegenstelling tot reflexief gedrag zoals ademen). Hieruit wordt vervolgens de volledige Oostenrijkse economische theorie op een rigoureuze en logische manier afgeleid.

Actie impliceert dat het gedrag van een individu doelbewust is (gericht is op specifieke doelen). Acties van mensen betekenen dat ze een bewuste keuze maken om middelen in te zetten om hun doelen te bereiken. Aangezien een individu wenst een bepaald doel te bereiken, moet dit doel voor het individu ontegensprekelijk waardevol zijn. Bovendien vindt iedere actie plaats doorheen de tijd. Iedere actie vindt plaats in het heden en is gericht op een toekomstig bereiken van een doel. Mochten al onze wensen onmiddellijk gerealiseerd kunnen worden, zou er namelijk geen reden zijn om actie te ondernemen.

Actie impliceert dat de toekomst inherent onzeker is. Mochten we de toekomst kennen, zou geen enkele actie een verschil maken.

Het feit dat we actie ondernemen betekent dat de middelen die we gebruiken om onze doelen te bereiken schaars zijn. Mochten onze middelen overvloedig zijn dan zouden we al onze doelen al bereikt hebben. Zelfs in een wereld van absolute overvloed is er alsnog een schaars goed: de tijd van een individu. Iedere eenheid van onze tijd die we alloceren aan een bepaald doel impliceert tijd die we niet kunnen alloceren aan ander doel.

In tegenstelling tot de economie die vandaag onderwezen wordt aan universiteiten is praxeologie voor iedereen toegankelijk en begrijpbaar. De enige vereiste is de mogelijkheid tot logisch nadenken. Dat neemt niet weg dat dit soort artikels best met volle aandacht gelezen en eventueel herlezen worden.

In dit artikel onderzoeken we de effecten van consumptie en besparingen op economische groei. Door rekening te houden met het concept van tijd in het productieproces van ondernemers komen we tot de conclusie dat niet consumptie maar besparingen de motor zijn van economische groei en vooruitgang.

Dit artikel werd vertaald in Januari 2020.

Introductie

Ons economisch systeem van de laatste decennia is in grote mate gebaseerd op het werk van John Maynard Keynes uit het begin van de 20e eeuw. De ideeën die Keynes ontwikkelde en promootte zijn vandaag nog altijd de standaard theorie onder academici en beleidsmakers. De economie die aan studenten meegegeven wordt is haast uitsluitend van deze theoretische stroming.

Nochtans, wanneer we deze theorie grondig bestuderen en logisch onderzoeken, blijkt de Keynesiaanse theorie fout te zijn.[1]

In dit artikel focussen we op de claim van de Keynesianen dat consumptie de motor is van economische groei.[2] We zullen dit idee op een logische manier weerleggen en bewijzen dat deze redenering niet klopt. Door het concept van tijd te onderzoeken tijdens het productieproces zullen we zien dat bestedingen, zeker wanneer deze artificieel opgedreven worden, tot economische stagnatie leiden. In tegenstelling tot wat deze theorie beweert, zijn niet bestedingen maar besparingen de onderliggende voorwaarde voor economisiche groei.

Productie en Tijd

Productie kunnen we definieren als de transformatie van goederen van hogere orde in goederen van eerste orde. Economische goederen (en diensten) hebben verschillende ordes, afhankelijk van hoe ver ze verwijderd zijn van hun finale vorm als consumptiegoederen (of -diensten). Goederen van eerste orde zijn klaar voor consumptie door de finale gebruiker (consumptiegoederen). Goederen van tweede orde zijn productiefactoren die een stap verwijderd zijn van consumptiegoederen, en zo verder.[3]

Een fundamenteel axioma hierbij is dat productie tijd vergt. Een proces dat geen tijd vergt kan namelijk geen transformatie bewerkstelligen en dus kan er geen productie plaatsvinden. Een productieproces is bijvoorbeeld een houthakker die hout verzamelt en gebruikt tijdens de winter of een bakker die een taart bakt.

Deze productieprocessen zijn doorgaans onderdeel van een veel langer proces. De bakker is namelijk genoodzaakt om zijn ingrediënten te produceren (of aan te kopen bij iemand anders). De productie van bloem had vervolgens opnieuw een productieproces dat tijd vergde (planten van zaden, oogsten en verwerking). Daarnaast observeren we een correlatie tussen economische ontwikkeling en de lengte en complexiteit van de productieprocessen. Een houthakker kan een simpel gereedschap gebruiken zoals een bijl of hij kan een modern gereedschap gebruiken zoals een kettingzaag. De productie van een kettingzaag is een veel complexer proces dan de productie van een bijl.

Meer formeel kunnen we als volgt het belang van tijd en productie onderstrepen:

Actie is een doelbewust gedrag om een probleem op te lossen. Individuen ondernemen actie teneinde een persoonlijk ongemak op te lossen door schaarse middelen te alloceren doorheen de tijd. Er zijn verschillende middelen beschikbaar die we kunnen gebruiken om een doel te bereiken. Dit kost ons noodzakelijkerwijs tijd.

”Tijd is schaars enkel en alleen omdat, welk doel we ook nastreven, er andere doelen zijn die onvervuld moeten blijven.”[4]

Een individu heeft een a-priori waardeoordeel over de mogelijke doelen die we kunnen bereiken en de acties die we kunnen nemen om middelen in te zetten. Het voorbijgaan van tijd is equivalent met verandering en actie impliceert de voorbijgang van tijd.

Wat Drijft Productie?

Eerst zullen we onderzoeken wat de redenering is van de Keynesiaanse theorie over consumptie. Volgens deze stroming zorgen hogere bestedingen (meer consumptie) voor meer economische groei. Meer consumptie betekent namelijk meer vraag en productie is afhankelijk van de vraag. Deze theorie stelt dat er zonder voldoende consumptie een te lage vraag naar goederen zal zijn, wat ondernemers ervan weerhoudt om te produceren en een lagere economische groei betekent.

De Keynesiaanse claim is dus dat de vraag een drijfveer is voor productie. In deze redenering zit een onjuistheid. De vraag naar een specifiek goed is variabel en verandert voortdurend. Deze vraag wordt beïnvloed door vele factoren (zoals beschikbaar aanbod van het goed, smaak van de consumenten of bevolkingsgrootte). De vraag naar een goed (of dienst) is op geen enkele manier gegarandeerd. We kunnen stellen dat het onwaarschijnlijk is dat een zekere vraag constant blijft tijdens een productieperiode wegens de vele factoren die de vraag kunnen beïnvloeden.

Denken we terug aan het productieproces, dan zagen we dat er een zekere tijd voorbijgaat tussen de start van de productie en het afgewerkt product. Indien we aannemen dat productie een gevolg is van een vraag, moeten we stellen dat de vraag kan (en wellicht zal) fluctueren tijdens het productieproces. We zien dat, tijdens een productieproces, de vraag op verschillende tijdstippen kan variëren (van de huidige vraag bij de start van het productieproces tot de verwachte vraag op het einde van het productieproces). Tussen deze twee opties zijn eindeloos veel arbitraire mogelijke hoeveelheden vraag te vinden. Er zijn maar twee niet-arbitraire punten te kiezen: de huidige vraag (begin van de tijdslijn) en de verwachte toekomstige vraag (einde van de tijdslijn). We moeten dus de vraag definiëren als een exact punt op deze tijdslijn.

Welke vraag zal aan de basis liggen van de ondernemer zijn beslissing om te produceren? Wanneer de ondernemer een beslissing neemt en begint met het productieproces is er geen afgewerkt product beschikbaar om te verkopen of te gebruiken. Er is namelijk nog geen tijd verlopen en de ondernemer kan niet tegemoet komen aan de huidige vraag naar het afgewerkte product. Een onafgewerkt product kan niet voldoen aan de huidige vraag. De huidige vraag naar een product kan niet gebruikt worden door de ondernemer als beslissingsvariabele voor productie.

Omwille van de schommeling in vraag tijdens het productieproces moeten we besluiten dat de beslissing om te produceren zal afhangen, niet van de huidige vraag naar het product, maar van de verwachte toekomstige vraag naar het product aan het einde van het productieproces. We kunnen logisch besluiten dat de productie van ieder goed een gevolg moet zijn van de verwachte toekomstige vraag aan het einde van het productieproces (en niet van de huidige vraag).

We kunnen nu terugkeren naar de stelling van de Keynesianen. Een betere verwoording is dus om te stellen dat de verwachte toekomstige vraag aan het einde van een productieproces de drijfveer is voor productie.

Een boer plant vandaag zaden, niet omwille van de huidige vraag naar brood, maar omdat hij een zeker niveau van vraag naar brood verwacht aan het einde van zijn productieproces. Indien op het einde van het productieproces de vraag naar het product lager uitvalt, zal de producent geld verliezen (of minder winst maken). Indien de producent dus geen vraag verwachtte boven een bepaald niveau op het einde van het productieproces, zou hij niet aan de productie beginnen in de eerste plaats. Het feit dan een boer begint met productie betekent dat hij een zekere verwachting heeft van toekomstige vraag naar een product wanneer hij begint met zijn productieproces.

Het Pad Naar Economische Ontwikkeling

Vervolgens nemen we even de tijd om te onderzoeken wat economische ontwikkeling precies is? Economische ontwikkeling is vooruitgang. Economische ontwikkeling is een verbetering in de mogelijkheid van mensen om te voldoen aan hun verschillende noden.

Een unieke eigenschap van mensen, die aan de basis ligt van onze economische vooruitgang, is de productie van goederen van hogere orde (goederen die niet bedoeld zijn om onmiddellijk te consumeren maar die bedoeld zijn om te gebruiken in de productie van consumptiegoederen, of goederen van eerste orde). Primitieve voorbeelden van een goederen van hogere orde zijn stenen werktuigen, speren of een bijl van een houthakker. Hoe groter en geavanceerder onze voorraad van goederen van hogere orde beschikbaar voor mensen, hoe meer we kunnen produceren en hoe beter we kunnen voldoen aan onze toekomstige noden.

Verder zien we dat de verlenging van een compleet productieproces en een groter aantal verschillende goederen van hogere orde die in toenemende complexiteit gebruikt worden, hand in hand gaan met ons proces van civilisatie. Het proces van civilisatie start met de accumulatie van productieve goederen (goederen van hogere orde) die een algemene stijging in productiviteit bewerkstelligen. Een hogere productiviteit leidt tot 1) meer vrije tijd met dezelfde levensstandaard of 2) een hogere levensstandaard met dezelfde hoeveelheid arbeid (tijd).

Het pad naar economische ontwikkeling vereist een verhoging van de voorraad en variëteit van goederen van hogere orde die beschikbaar zijn voor productie. Op die manier wordt het productieproces verbeterd. Een beter productieproces voorziet ons van een hoger aantal consumptiegoederen in de toekomst wat ons toelaat om beter te voorzien in onze alsmaar toenemende verscheidenheid aan noden.

Consumptie en Economische Groei

We kunnen vervolgens de theorie onderzoeken die stelt dat consumptie leidt tot economische groei. Hoewel deze theorie op het eerste zicht correct lijkt, houdt ze geen rekening met het aspect van tijd in de productie (in dit geval rekening houden met de verwachte toekomstige vraag). Wanneer we hier wel rekening mee houden, krijgen we namelijk andere conclusies.

Geloven dat consumptie leidt tot economische groei is geloven dat een verbetering in de productiecapaciteit (voornamelijk door de productie van goederen van hogere orde - de primaire vorm van economische ontwikkeling) het gevolg is van de huidige vraag in plaats van de verwachte toekomstige vraag. Echter, sinds we aangetoond hebben dat producenten rekening houden met de verwachte toekomstige vraag in plaats van de huidge vraag om en productieproces aan te vatten, kunnen we met zekerheid stellen dat dit niet klopt.

We kunnen concluderen dat economische ontwikkeling volgt uit een verbetering en vergroting van onze productie. De productie is ingegeven door een verwachting van toekomstige vraag en niet door de huidige vraag. Deze conclusie impliceert dat de hypothese dat meer consumptie leidt tot meer economische groei niet accuraat is. De huidige vraag is verschillend van de verwachte toekomstige vraag en heeft andere economische implicaties.

Met onze verbeterde stelling (bestedingen leiden tot een hogere huidige vraag) kunnen we proberen begrijpen wat de gevolgen zijn van bestedingen en consumptie op economische groei. Bestedingen impliceren een voorkeur van mensen om grondstoffen en middelen aan te wenden in de huidige productie en distributie van consumptiegoederen. Deze goederen kunnen we aankopen en consumeren in het heden. De voorkeur voor huidige consumptie gaat ten koste van de voorkeur om goederen van hogere orde te produceren (want onze middelen zijn schaars).

De eerste voorkeur (een voorkeur voor consumptiegoederen) draagt niet bij aan economische groei (want consumptiegoederen kunnen niet meer gebruikt worden voor de productie van toekomstige goederen die in een toekomstige vraag voorzien). De tweede voorkeur, een voorkeur om goederen van hogere orde te produceren, kan bijdragen tot een betere productie van toekomstige goederen. Dit is de essentie van economische groei.

Met andere woorden, een voorkeur voor consumptie is een uitputting van bestaande grondstoffen en middelen, terwijl de voorkeur voor sparen leidt tot verbeterde productie van toekomstige goederen en tot een betere voldoening van onze toekomstige noden. Een toegenomen consumptie zorgt voor een hogere huidige vraag en draagt niet bij tot economische ontwikkeling maar leidt tot stagnatie en een uitputting van beschikbare grondstoffen.

Sparen en Economische Groei

Vervolgens kunnen we onderzoeken wat dan wel economische ontwikkeling promoot. Uit voorgaande alinea werd al duidelijk dat dit net het omgekeerde is van consumptie en bestedingen, namelijk sparen. De Keynesianen verfoeien (tot op vandaag) het sparen van geld. Volgens hun theorie (die volgens mij op verschillende vlakken fundamenteel onjuist is) betekent sparen namelijk minder potentiële consumptie vandaag en zou dit dus tot minder economische groei leiden. Hoe meer mensen sparen, hoe lager de huidige vraag (en prijzen in de economie) en hoe minder drijfveer ondernemers hebben om te produceren. Zoals aangetoond zorgt de huidige vraag echter niet voor productie maar houden producenten rekening met de verwachte toekomstige vraag. We moeten dus dit argument tegen sparen weerleggen en de juiste economische effecten onderzoeken.

Sparen signaleert een hogere vraag naar toekomstige goederen versus een nood aan huidige goederen (mensen sparen hun geld om te gebruiken in een onzekere toekomst). Aldus leidt sparen tot een verhoging van de verwachte toekomstige vraag en dus tot meer productie. Sparen promoot de allocatie van grondstoffen en middelen in een verbetering van het productieproces. Het leidt tot de productie van goederen van hogere orde.

Het fenomeen van sparen betekent dat mensen hun consumptie uitstellen en hun geld opsparen om later te gebruiken. Geld sparen voor toekomstige noden betekent dat de verwachting van toekomstige vraag stijgt, wat opnieuw de drijfveer is voor productie op lange termijn en economische groei.

Volgens bovenstaande analyse kunnen we het economisch verschil tussen bestedingen en besparingen als volgt weergeven:

Bestedingen zijn de voorkeur voor de voldoening van een huidige vraag in plaats van een toekomstige vraag waardoor meer grondstoffen gebruikt worden om aan de huidige vraag te voldoen. Aan de andere kant zijn besparingen de voorkeur voor de voldoening van een toekomstige vraag waardoor een hogere toekomstige vraag verwacht wordt en waardoor meer grondstoffen aangewend worden voor de ontwikkeling van productiegoederen. Dit leidt logischerwijs tot een betere voldoening van de verwachte toekomstige vraag naar consumptie.

Tijdsvoorkeur en Economische Groei

Het hierboven besproken concept van voorkeur in de tijd van consumptie (van vandaag tot een zeer verre toekomst) is wat economisten tijdsvoorkeur noemen.[5] Ceteris paribus, zal een individu altijd een onmiddelijke voldoening van noden kiezen boven dezelfde voldoening van noden in de toekomst. Aldus zal een individu zijn voldoening van noden uitstellen enkel en alleen wanneer de verwachte toekomstige voldoening hoger is dan de huidige. De extra voldoening moet voldoende zijn om ons te compenseren voor dit uitstel. We prijzen met andere woorden het uitstel in bij de voldoening van onze noden. Deze specifieke subjectieve waarde voor dit uitstel (de waarde van onze tijd) bepaalt onze graad van tijdsvoorkeur. Hoe lager de waarde is die we toewijzen aan huidige voldoening, hoe lager de graad van tijdsvoorkeur, en vice versa.

Een voorkeur voor onmiddelijk consumptie, aangeven door hoge uitgaven, kunnen we definiëren als een relatief hoge tijdsvoorkeur. Het uitstellen van consumptie en een voorkeur voor een betere voorziening van noden in de toekomst, aangegeven door hoge besparingen, kunnen we definiëren als een relatief lage tijdvoorkeur.

Aangezien we weten dat het pad naar hogere vormen van welvaart in onze civilisatie ons noodzaakt om productieprocessen te verlengen, kunnen we concluderen dat het verlagen van onze tijdsvoorkeur (het verlagen van onze subjectieve waardering van het heden) betekent dat we meer bereid zijn om te plannen voor de toekomst. Een lagere tijdsvoorkeur laat toe om productie te verbeteren en promoot economische ontwikkeling.

Economische Implicaties

Tot slot, vatten we nog even samen wat de implicaties zijn van de besproken theorie op onze economie. Thomas Sowell definieerde de centrale functie van economie als volgt:

“de allocatie van schaarse grondstoffen die een alternatief gebruik hebben”.[6]

Arbeid, kapitaal en andere grondstoffen zullen onvermijdelijk gealloceerd worden op de een of andere manier (tenzij dit verboden wordt door regulering). De enige vraag is hoe en waar mensen deze grondstoffen zullen inzetten.

Bestedingen zorgen er voor dat meer grondstoffen gebruikt worden in het heden en voor de korte-termijns productie van goederen van lagere orde. Op die manier kanaliseren ze grondstoffen weg van lange-termijns productieprocessen voor goederen van hogere orde. Aan de andere kant hebben besparingen het omgekeerde effect. Door lagere bestedingen voor consumptiegoederen, zal minder cashflow beschikbaar zijn voor de sectoren die op korte-termijn produceren en goederen van lagere orde distribueren. Op die manier zijn meer middelen beschikbaar voor de productie op lange-termijn. Een verhoging van deze beschikbare middelen zal, zoals vermeld, gepaard gaan met de verwachting van een hogere toekomstige vraag (naar aanleiding van meer besparingen). Op die manier promoten we productieprocessen voor de lange-termijn.

In dit laatste geval kunnen we een trend zien richting groei en economische ontwikkeling. Dit zorgt voor een toename in de beschikbare hoeveelheid goederen in vergelijking met enkel consumeren. Het resultaat van deze overvloed zal te merken zijn in gradueel dalende prijzen voor goederen en diensten. De houthakker kan na zijn besparingen investeren in een beter productieproces en meer hout produceren in een zelfde tijdspanne. Dit steunt ieder individu in de voldoening van zijn noden. Deze verbetering in de individuele voorziening verlaagt de nood aan korte-termijns gedrag. Ieder individu kan namelijk beter voldoen aan zijn huidige noden (door de lagere prijzen). Consumptie neemt zo voor iedereen een kleiner aandeel van zijn inkomen in waardoor opnieuw een groter aandeel richting het verbeteren van productie voor de lange-termijn kan gaan.

Het continue proces van verminderde consumptie leidt tot een overvloed van goederen en lagere prijzen. Lagere prijzen laten vervolgens toe om meer te consumeren OF onze consumptie verder te beperken zonder onze levensstandaard aan te tasten (en mogelijks zelfs te verhogen). Op die manier kunnen we onze tijdsvoorkeur blijven verlagen door een zelf-versterkende cyclus en dit noemen we ‘het proces van civilisatie’. Dit proces laat elk van ons toe om meer te sparen en verder te specialiseren in afzonderlijke productieprocessen.

De conclusie die we hier uit trekken is vrij simpel: hoge bestedingen promoten economische stagnatie terwijl meer besparingen onze productieprocessen stimuleren en economische ontwikkeling bevorderden. De belangrijkste fout in de theorie van Keynes kunnen we toeschrijven aan “het negeren van het concept van tijd in het productieproces”.[7] Door dit belangrijk aspect te negeren verwarren we huidige vraag met de verwachte toekomstige vraag. Tijd is een onafscheidelijke dimensie van onze realiteit en moet rigoureus toegepast worden in de formulering van economische theorie.


Voor een rigoureuze kritiek op Keynesiaanse economische theorie, zie “The Critics of Keynesian Econoics” door Henry Hazlitt. ↩︎

In dit artikel zal ik de termen ‘uitgaven’, ‘bestedingen’ en ‘consumptie’ door elkaar gebruiken om te verwijzenen naar eenzelfde concept. Op dezelfde manier zal ik ‘besparingen’ en ‘sparen’ door elkaar gebruiken. ↩︎

Zie “Mises Wiki”. ↩︎

Rothbard, M. (1962) - Man, Economy & State: The Fundamental of Human Action. ↩︎

Zie Mises Wiki. Het concept van tijdsvoorkeur volgt uit het axioma van Menselijke Actie. Mochten mensen niet verkiezen om hun doelen vroeger dan later te bereiken, zouden ze geen actie ondernemen. ↩︎

Thomas Sowell, “Basic Economics, A Common Sense Guide to the Economy”. ↩︎

Zie ook “The Trouble With Socialist Anarchism” door Per Bylund. ↩︎